Eindvormen ontleden voor de jongsten

Wie zijn spelers op techniek wil trainen moeten zelf in detail de oefeningen kennen. Wat komt er bijvoorbeeld allemaal kijken bij een doorloopbal. Een doorloopbal is een onderhands schot uit beweging en bestaat ten minste uit drie onderdelen.  Je hebt een aanloop, het verwerken van de bal, gevolgd door een onderhands schot. De aanloop bestaat uit de afzet, opbouw van snelheid, inschatten van de juiste afstand naar het doel en de timing om tijdig af te remmen. Daarna moet een goede oog-hand-coördinatie ervoor zorgen dat de bal wordt gevangen. De bal moet vervolgens worden verwerkt tot de juiste begin positie van het onderhandse schot, tijdens of voor een sprong en daarna volgt het onderhandse schot. Het onderhandse schot kun je vervolgens ook weer ontleden en dat bestaat uit minstens net zoveel stappen.

Zo’n bal is dus behoorlijk complex voor een nieuwkomer en bestaat uit allerlei zaken die voor een groot deel elkaar overlappen. Voor de trainer behoort deze techniek vaak al tijden tot de basis en voert hij deze in alle volledigheid uit tijdens de warming-up van zijn eigen training. Dat is logisch, want hij beheerst al diverse technieken en is dus toe aan meer complexe eindvormen.

In een training kun je de verschillende onderdelen van een oefening los van elkaar trainen door deze in andere oefeningen te verpakken. Dit geeft je gelegenheid om gerichter op de details te trainen. Gedurende de training breidt je de verschillende onderdelen uit, door steeds een stap extra te maken en/of deze te combineren met andere onderdelen. Op deze manier werk je gestructureerd naar de eindvorm toe, in ons geval naar een doorloopbal met al zijn aspecten.

Het atletische deel van een doorloopbal bestaat uit het starten, lopen, springen en balans houden tijdens loop en sprong. Dit zijn allemaal vaardigheden die met simpele oefeningen getraind kunnen worden. Denk maar aan een estafette waarbij over pionnen moet worden gehuppeld of een hindernisbaan. Leuke en goede oefeningen.

Het technische deel bestaat uit het onderhandse schot. Begin deze eerst maar eens te oefenen uit stilstand. Als je spelers moeite hebben met bijvoorbeeld een te grote bal of een te hoge korf, neem dan een stapje terug en geef ze materiaal waar ze eerst de juiste techniek mee kunnen leren.

Inschattingen maken is een continu durend leerproces. Hoe ver, hoe hoog, hoe hard, hoeveel kracht en met welke snelheid, zijn inschattingen die gemaakt moeten worden bij het gooien en vangen van een bal. Dit valt te leren door te doen, te doen en te doen. Zonder training geen prestatie!

Bij een doorloopbal moet de bal op korte afstand worden overgespeeld naar een bewegende medespeler. Ook dit proces moet eerst vereenvoudigd worden. Spelers moeten eerst op korte afstand kunnen gooien en vangen uit stilstand. Tweehandig en misschien zelfs ook eenhandig. Kortom: opnieuw ontleden.

Zo kun je vier of vijf verschillende oefeningen geven die uiteindelijk bij de eindvorm samenkomen. En daarna natuurlijk proberen in het partijtje!

Get a Trackback link

Nog geen reacties

Reageer als eerste op dit artikel!

Reageer